Lot

Gisteren ging ik op bezoek bij een kleine camping aan een bosrand met uitzicht over de weilanden.

De eigenaar was een man van midden vijftig met een mooi, open gezicht en golvend grijze haren. Met zijn vrouw had hij de camping van de grond af opgebouwd. Elk gebouwtje – van toiletblok tot douche, van klein café tot woonhuis en zelfs aanleunwoning “voor als we oud en krakkemig zijn” – had hij persoonlijk in elkaar gezet. Aan de muren en bomen hingen overal door hem zelf getimmerde vogelhuisjes “allemaal bewoond.” Eigenheid, de hele camping straalde eigenheid uit, toewijding, liefde voor het kleine.

Het heftige was: hij had al zeven jaar progressief MS. Hij kon niets meer. Een schroef halen in de schuur was einde oefening voor een dag. Dus zat hij meestens aan het raam of in de knusse, open privé hut die hij buiten had gemaakt. Zijn vrouw deed alles alleen, op tenen balancerend tussen aandacht voor de gasten en aandacht voor hem: “ik kan hem toch niet de hele tijd alleen laten zitten!”

We dronken koffie aan het raam, waar buiten een halve kokosnoot hing met vogelvet. Genietend keken we op naar de pimpelmezen, boomklevers en koolmeesjes die elkaar vliegensvlug afwisselden. De zon scheen. Het was net te koud om buiten te zitten, maar overduidelijk lente. Hij vertelde dat hij dood wou.